Het Stoommuseum

Het Stoom-Zuivelmuseum op Vaartweg 10 in Steggerda (Vaart).                                                                                                                                                         
 

Afbeelding invoegen
De houten boterkarnen in de zuivelfabriek te Steggerda. 
Ze functioneerden tot 6 april 1954 en zijn toen door roestvrij stalen karnen vervangen. De foto en bijbehorende tekst komen van voormalig directeur Volkert Spanjer.
 
Afbeelding invoegen
Het stoom-zuivelmuseum nu
 
Het stoom-zuivelmuseum is op 6 mei 2011 geopend.
Voor het afbreken van de oude zuivelfabriek is er door de dorpelingen unaniem besloten de oude, uit 1915 afkomstige stoommachine voor het dorp te bewaren. Hiervoor is een gebouwtje ontworpen naar het model van de voormalige zuivelfabriek, inclusief de schoorsteen, al is deze schoorsteen wat lager uitgevallen dan de originele. Naast de oude stoommachine laat het kleine museum veel geschiedenis zien over de zuivelindustrie in Steggerda. Indien het museum gesloten is laten de grote ramen in de gevel niets van de inhoud van het museum verborgen.
Het museum ligt midden in de oostelijke kern van Steggerda (Steggerda Vaart). Op het punt waar de Pepergaweg, Steggerdaweg en de Vaartweg bij elkaar komen aan de doorgaande weg van Noordwolde via Steggerda naar De Blesse.

Bekijk de film van Omrop Fryslan: Museum zuivelfabriek film

2de lustrum Stoom-zuivelmuseum Steggerda wordt omgezet in 12 en een half jaar, want vanwege Corona is het 2de lustrum een gepasseerd station.

Het stoom-zuivelmuseum aan de Vaartweg te Steggerda bestaat inmiddels 11 jaar en op 28 augustus 2016 werd  het eerste lustrum gevierd. 
De stoommachine, die in de voormalige zuivelfabriek zijn diensten heeft bewezen, en daarna bewonderd kon worden toen de fabriek het veilinghuis van Henk Dijkstra werd, werd destijds geschonken aan het dorp.

Dorpsbelang riep een werkgroep in het leven, toen besloten werd dat het terrein beschikbaar kwam voor woningbouw en de fabriek gesloopt zou worden.
Het idee werd geopperd om de zuivelfabriek, met pijp, in het klein na te bouwen en de stoommachine daar een plek te geven.
Met behulp van vele vrijwilligers is op het terrein van de voormalige zuivelfabriek een replica verschenen.
Er zijn veel voorwerpen geschonken of in bruikleen gegeven, welke oorspronkelijk behoorden bij de zuivelfabriek van Steggerda. Nog steeds komen er voorwerpen bij. Afgelopen jaar hebben we glaswerk uit het lab gekregen en heeft Nico Bollen 8 bouwtekeningen vergroot die we hebben ingelijst. De 1ste is van timmerman Eise Johannes t. Berge. De plaatselijke timmerbazen mochten verbouwen en aanbouwen, De Wilde, Bos&zn. Het is jammer dat we nog steeds geen tekening hebben kunnen vinden van de bouw van de zuivelfabriek eind 1800, in opdracht van Verwer. R.d.Boer mocht de fabriek bouwen.

Veel mensen vinden op de zondagen hun weg naar de Vaartweg om de materialen in het kleine "zuivelfabriekje" te bewonderen.
Elk jaar bedenken we een expositie, naast datgene wat er in het museum tentoongesteld is.


De expositie van 2022 bestaat uit een paar werken van kunstschilder Rinny Siemonsma. Tevens liggen er ansichtkaarten, een kalender en een boek van en over Rinny. 
 

 
 Voor meer foto's Lustrum zie fotoalbum
  
 
 De kaaspers is gerenoveerd en in 2020 tentoongesteld.
 We hebben het gekregen via de Oudheidkamer Wolvega.
 
 
 
 

Het stoommachientje is geschonken door Sjouke en Hillie Steneker uit St.Nicolaasga. Zijs heeft, samen met Ad de Groot gezorgd dat het machientje weer werkt. Zo kan de werking van een stoommachine gedemonstreerd worden.
 

 
 
 
 

8 oktober 1957 tijdens het 50-jarig bestaan van de zuivelfabriek.
Geert Vuist was de vaste chauffeur op de "ijsauto".
In de 30-er jaren reden er 2 koelauto's om het ijs naar alle verkooppunten te brengen. Op die auto stond IJS STEGGERDA in rode letters en het werd "de zilveren auto" genoemd. De 2de chauffeur is waarschijnlijk Bertus Lodewijk.
 
 
 

 Dit is ijsventer Hennie Bosma. Deze foto is niet in Steggerda genomen.


Het roomijsje uit onze zuivelfabriek; met smaak gegeten en beroemd in Friesland en wijde omtrek.
In 1933 is De Toekomst begonnen met de bereiding van het roomijs. Rinse Sjoerd de Boer was toen directeur. In 1934 had Steggerda al een depôt in Noord-Holland en in Zwolle. Er werd zo lovend over het roomijs gedaan, omdat het ijs met grootste hygiënische zorg bereid werd. In de eerste jaren stonden er veel advertenties in allerlei kranten (o.a.Leeuwarder, Hepkema, Opregte Steenwijker, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.) om het ijs aan te prijzen en venters te rekruteren. In dat jaar vond een verbouwing plaats, omdat men ook melkpoeder en "ruw ijs" ging produceren. Ruw ijs was afgewerkte stoom, dat tot water was gecondenseerd en per dag tot 800 ijsstaven (20 ton) verwerkt werd. De ijsstaven koelden de ijscokarren en werden aan restaurants verkocht. In de zomer vond 6 man extra werk op de ijsafdeling. Machines draaiden 24 uur per dag.
Na de oorlog liep de toevoer van melk weer op, ruimte tekort, de ijsinstallatie was aan vernieuwing toe, de prijs van grondstoffen liep op en in de zomerperiode moest er nog meer hygiënische zorg zijn vanwege de warmte. Vanwege al deze redenen lukte het niet om de productiekwaliteit van alle poten van de zuivelbereiding te waarborgen. Dit betekende dat eind 1952 de ijsafdeling werd afgestoten. De boeldag vond plaats bij café Ale de Groot en genoot grote belangstelling. 
In het jaaroverzicht van de zuivelfabriek staat de volgende opmerkelijke passage: "Als op die zaterdagavond tegen donker de laatste ijscokisten en bakfietsen van het terrein verdwijnen om elders in den lande een nieuwe dienst te beginnen, giert een zware zuidwester door de bomen en kunnen we ons moeilijk staande houden. We spoeden ons veilig in huis, nog onbewust van de rampnacht in Zeeland, welke zich inmiddels heeft aangekondigd...." (citaat uit: Zuivelfabriek Steggerda door Anne Engwerda). 
De ijscoventers stonden altijd op de dorps- en buurtfeesten en er werd tot in de wijde omtrek gevent. o.a. Hennie Bosma van De Oosterstreek ventte in de omliggende dorpen.

WEETJES: 1934: 2 stoomketels, samen goed voor 150 pk. 
                         3 koelmachines, die 175.000 calorieën leverden.
                         bebouwde oppervlakte: 1200-1300 m2.
                         in de zomermaanden 40 man personeel.
                         
--In het museum staat nog een roomijsbekertje, bewaard door Jaap Mintjes.
--Carla Spanjer meldt dat zij niet weet waar het recept gebleven is.
--De kinderen van Geert Room, Gerrit en Jellie, weten het ook niet.
--Er is nooit een patent op het recept van roomijs aangevraagd.
--We hebben waarschijnlijk een nieuw aanknopingspunt gevonden!!!!!!!
 
Herinneringen van Carla Spanjer.
Carla is de dochter van Volkert Spanjer. Spanjer was directeur van 9 februari 1946 en gaf op 28 april 1959 het stokje over aan H.J.v.d.Hoek.
 
De man die verantwoordelijk was voor de ijsproductie was Geert Room. Hij woonde achter de fabriek in het eerste huis in het blok van 3. De ijsproductie vond plaats in de ruimte aan de voorkant van de fabriek tussen de melkontvangst en het laboratorium, ongeveer in het midden van de voorgevel van de fabriek.
Wat ik mij nog herinner zijn de rollen ijs die je in plakjes sneed en dan tussen twee biscuitkoekjes deed. Als het een warme zomerse dag was, nam mijn vader weleens een rol mee uit de fabriek, waarvan we dan een stukje kregen als toetje.
Maar de grote hoeveelheid ging naar de ijscoventers; die werd gebracht met de ijsauto (zo noemden we die). Het was een zilverkleurige vrachtauto met als vaste chauffeur Geert Vuist. 
Waarschijnlijk maakten ze ook chocoladelollies, want op het kantoor waar mijn vader zat, lagen grote blokken chocolade in een kast; iets groter dan een A-4tje en 5 cm. dik denk ik. Een enkele keer als we daar waren sneed/hakte mijn vader er met een zakmes een hoek af en mochten we dat opeten. 
Een ander ingrediënt was suiker. Bij ons in huis stonden op zolder een aantal papieren zakken suiker; geen idee hoeveel er in zat, maar zeker niet te tillen. De muizen maakten daar weleens een gat in (meerdere lagen had de zak) en soms als er een vriendinnetje was (zal Grietje Mud wel geweest zijn)staken we een natte vinger in het gat om van de suiker te snoepen.
Voor zover ik weet, kon je geen losse ijsjes kopen bij de fabriek. Wel heb ik een keer voor ons huis ijsjes verkocht vanuit een gekoelde vierkante bak voor vijf en tien cent. Veel kinderen zaten er omheen, maar ik denk niet dat we veel verkocht hebben. Het was misschien meer de lol van mijn vader.

Ik herinner me dat op een zeer warme zondag een ijscoventer door zijn voorraad heen was. Geert Vuist was waarschijnlijk vrij of niet te bereiken (zonder telefoon; hij woonde ergens bij de Leemweg), zodat mijn vader zelf het ijs naar Emmeloord (dacht ik) bracht en ik mocht mee in de vrachtauto. 

Op de foto ben ik degene met het witte jurkje en een breiwerkje. Rechts van Carla zit haar broertje Onno en links van haar zit Jan Hoornstra. Het meisje met de strik in het haar is Sippie Hoornstra

Links van het hekje stond het bushalteplaatje met het bordje van NTM.

Wie herkent de andere kinderen? Zo ja, stuur een mail naar deze site.

                                                                     

Jan Bos, de zoon van Aaldert Bos, heeft ook nog herinneringen aan het Steggerda-ijsje. Familie Bos woonde achter de fabriek in het middelste huis van het blok van 3, dus naast Geert Room. Vader Aaldert heeft 48 jaar op de fabriek gewerkt. Hij stond op de melkontvangst en de laatste 10/15 jaar was hij centrifugist. Bos nam het stokje over van Evert Otten.

Ik herinner mij dat "op de fabriek” geen ijs  werd verkocht. Wel ging ik met enige regelmaat naar Geert Room om een ijsje te kopen  voor niks. Hij zei dan altijd, dat ik niet zo moest zeuren. Niettemin kreeg ik toch weleens een ijsje van hem. Op zondagen had Geert Room bij zijn huis een ijscokar staan van waaruit ijsjes werden verkocht. Dat was natuurlijk "hard”, omdat wij geen geld hadden om elke zondag een ijsje te kopen.

     IJsstaven werden  gemaakt in een gedeelte van de fabriek aan de achterkant. De afmeting was 20 bij 20 cm  met een lengte van hooguit 1.50  meter. Volgens mij lagen ze niet in het water , maar werden van water tot ijsstaven gemaakt in metalen  bakken. Het proces om van het water ijs te maken is iets waar ik mij niets  van herinner. Eenmaal klaar werden ze uit de bakken geschud en naar de naastliggende koelcel gebracht. De ijsstaven  waren bestemd voor de ijsverkopers. Gelijk met het roomijs werden staven ijs in dezelfde vrachtauto vervoerd. Elke verkoper kreeg dan een deel  of een gehele ijsstaaf om de roomijs op " temperatuur" te houden. Verder herinner ik mij, dat mijn vader met regelmaat de koelcel in moest om de ijsstaven -via een klein vierkant  luikje-  weer naar buiten te schuiven  naar de vrachtwagen, die daar klaar stond. Vaak stonden wij daar te kijken. Dat deden we niet zomaar. De plaatselijke visboer -Arend de Podde- ( zijn werkelijke naam was Arend van Veen) mocht in de koelcel  vis bewaren, w.o. sprot. Mijn vader legde dan af en toe een sprotje voor ons op de ijsstaaf.    

     Ik herinner mij, dat toen de ijsfabriek werd gesloten, de nog aanwezige chocola  werd verdeeld onder het personeel. Zo heeft er bij ons maanden een plak chocola op een kast gelegen. Uiteraard werd die steeds kleiner, omdat  met regelmaat er met een  groot mes een stukje werd afgestoken. Gonnie Bottema-Dijkstra meent zich te herinneren dat alle leden een staaf ijs kregen bij de sluiting. Gonnie en Marthie Pit-Dassen vertellen dat ze af en toe centen kregen om een ijsje te kopen. Aan de straatkant liepen ze dan de fabriek in en als ze iemand zagen konden ze hun ijsje kopen.

Ook Reinold de Vries heeft herinneringen aan het kopen van een ijsje.

Je kon voor 3 cent, een stuiver of een dubbeltje een ijsje kopen. Vrouw Room had een bak bij huis staan en dan kregen we voor een stuiver ijs in een kuipje. Vooral op zondag kwamen veel kinderen en volwassenen daar een ijsje kopen.